Klepselectie en instelpositie

(1)De afsluiters die op de waterleiding worden gebruikt, worden over het algemeen geselecteerd volgens de volgende principes:

1. Bij een pijpdiameter van maximaal 50 mm dient een afsluitklep te worden gebruikt. Bij een pijpdiameter groter dan 50 mm dient een schuifafsluiter ofvlinderklepmoet worden gebruikt.

2. Wanneer het nodig is om de waterstroom en de waterdruk aan te passen, moeten een regelklep en een afsluitklep worden gebruikt.

3. Schuifafsluiters moeten worden gebruikt voor onderdelen die een lage waterstroomweerstand vereisen (zoals de aanzuigleiding van de waterpomp).

4. Schuifafsluiters en vlinderkleppen moeten worden gebruikt voor leidinggedeelten waar water in beide richtingen moet stromen, en afsluitkleppen zijn niet toegestaan.
5. VlinderkleppenKogelkranen moeten worden gebruikt voor onderdelen met beperkte installatieruimte.

6. Voor leidinggedeelten die vaak geopend en gesloten worden, dienen afsluitkleppen te worden gebruikt.

7. De uitlaatpijp van de waterpomp met grotere diameter moet voorzien zijn van een multifunctionele klep.

(2) De volgende delen van de waterleiding moeten voorzien zijn van afsluiters:
1. De waterleidingen in woonwijken zijn aangesloten op het gemeentelijke waterleidingnet.

2. De knooppunten van het buitenleidingnetwerk in de woonwijk moeten worden geplaatst volgens de vereiste afstanden. Wanneer het ringleidinggedeelte te lang is, moeten segmentafsluiters worden geïnstalleerd.

3. Het beginpunt van de aftakking die is aangesloten op de hoofdwatertoevoerleiding van de woonwijk of het beginpunt van de huishoudelijke waterleiding.

4. Huishoudelijke leidingen, watermeters en aftakleidingen (de onderkant van de standpijp, de boven- en onderkant van de standpijp in het verticale ringleidingnetwerk).

5. De subhoofdleidingen van het ringleidingnetwerk en de verbindingsleidingen die door het aftakleidingnetwerk lopen.

6. Het beginpunt van de waterleiding die de binnenwatervoorziening verbindt met de huishoudens, openbare toiletten, enz., en het waterafgiftepunt op de 6e aftakking van de distributieleiding, wordt vastgesteld wanneer er 3 of meer waterafgiftepunten zijn.

7. De uitlaatpijp van de waterpomp en de zuigpomp van de zelfaanzuigende waterpomp.

8. De inlaat- en uitlaatleidingen en de afvoerleidingen van de watertank.

9. Waterleidingen voor de aanvoer van water naar apparatuur (zoals verwarmingstoestellen, koeltorens, enz.).

10. Waterleidingen voor sanitaire voorzieningen (zoals toiletten, urinoirs, wastafels, douches, enz.).

11. Enkele accessoires, zoals de voorzijde van de automatische ontluchtingsklep, de overdrukventiel, de waterslagdemper, de manometer, de sprinklerkraan, enz., de voor- en achterzijde van de drukreduceerklep en de terugstroombeveiliger, enz.

12. Op het laagste punt van het waterleidingnet moet een aftapkraan worden geïnstalleerd.

(3) DeterugslagklepDe keuze moet over het algemeen worden gemaakt op basis van factoren zoals de installatielocatie, de waterdruk vóór de klep, de vereisten voor de afdichting na het sluiten en de omvang van de waterslag die door het sluiten wordt veroorzaakt.
1. Bij een lage waterdruk vóór de klep dient men te kiezen voor een terugslagklep met zwenkarm, een kogelterugslagklep of een schuifterugslagklep.

2. Wanneer een goede afdichting na sluiting vereist is, is het raadzaam een ​​terugslagklep met een sluitveer te kiezen.

3. Wanneer het nodig is om de waterslag te verminderen en te verhelpen, is het raadzaam te kiezen voor een snelsluitende, geluidsdempende terugslagklep of een langzaamsluitende terugslagklep met dempingsinrichting.

4. De schijf of kern van de terugslagklep moet onder invloed van de zwaartekracht of veerkracht automatisch kunnen sluiten.

(4) In de volgende gedeelten van de waterleiding moeten terugslagkleppen worden geïnstalleerd:

Op de inlaatleiding; op de waterinlaatleiding van de gesloten waterverwarmer of waterinstallatie; op het wateruitlaatgedeelte van de watertank, watertoren en hooggelegen zwembad waar de inlaat- en uitlaatleidingen van de waterpomp één gezamenlijke leiding hebben.

Let op: het is niet nodig om een ​​terugslagklep te installeren in het leidinggedeelte dat is voorzien van een terugstroombeveiliging.

(5) Op de volgende plaatsen in de waterleiding moeten ontluchtingsvoorzieningen worden aangebracht:

1. Voor het waterleidingnetwerk dat slechts af en toe wordt gebruikt, moeten automatische aftapkranen worden geïnstalleerd aan het einde en op het hoogste punt van het leidingnetwerk.
gasventiel.

2. In gebieden met duidelijke schommelingen en gasophoping in het waterleidingnet is op het hoogste punt van het gebied een automatische of handmatige ontluchtingsklep geïnstalleerd voor de afvoer van gas.

3. Bij een wateraanvoerinstallatie met luchtdruk, waarbij gebruik wordt gemaakt van een automatische watertank met luchtdruk, dient het hoogste punt van het waterleidingnet te zijn uitgerust met een automatische ontluchtingsklep.


Geplaatst op: 8 september 2023

Sollicitatie

Ondergrondse pijpleiding

Ondergrondse pijpleiding

Irrigatiesysteem

Irrigatiesysteem

Waterleidingsysteem

Waterleidingsysteem

Apparatuur en benodigdheden

Apparatuur en benodigdheden